Kringloper
Ze was terug bij haar ouders aan de keukentafel. Snoezig zagen pap en mam eruit. Vitaal, niet broos als in haar laatste herinneringen. Dit was onmiskenbaar de riante keuken waarin ze opgroeide, de eindeloze bruine kastjes, het grote gasfornuis. ‘Van het gas af’ bestond nog niet. Ze wist waar dit over ging: de vervolgopleiding kiezen. Op haar zeventiende. Inschrijven voor een medische opleiding om tandarts te worden, net als pap. Of de kunstacademie, echt leren schilderen. Net als, hier stokten haar gedachten even, niemand.
‘Schilderen kan je altijd erbij doen,’ hoorde ze mam zeggen, ‘als hobby.’
‘Hobby me hoela’ had ze geantwoord. Voor je het weet waterverf je op je vijftigste een bosje bloemen om je wachtkamer te verluchtigen.
Hoe kon ze nou kiezen tussen tandarts en kunstenaar? Ze zag een balans voor zich, met in de ene schaal haar kunst, feesten met absinthefonteinen, vrijheid, dingen maken. In de andere schaal een groter huis waarschijnlijk, de hoekbank die ze zo mooi vond, een luxe badkamer, geen geldzorgen.
Nu, terugdenkend, kon ze zaken als ‘vrijheid’ en ‘geen geldzorgen’ op waarde schatten. Toen? Niet. Hoe ze ook nadacht, de balans bleef in evenwicht.
Als kunstenaar zou ze later, als de keuze verkeerd bleek, onmogelijk nog tandarts kunnen worden. Als tandarts, kon ze altijd nog kunstenaar worden, zei haar moeder.
Maar was dat zo? Als je eenmaal in je grote huis zat, met je grote hypotheek, gewend aan je mooie bank en luxe badkamer, kon je daar dan nog van afzien? En zou je eventuele gezin daarin mee gaan? En wanneer bleek een keuze ‘verkeerd’? Moest je dan schulden hebben, of depressief zijn? Of erger?
Ze had op haar zeventiende genoeg geschilderd om te weten dat er meer was dan alleen techniek en haar eigen, beperkte, voorstellingsvermogen. Soms was het alsof geheime krachten door haar gekanaliseerd werden op het doek, dan ontstond er magie. Ze betwijfelde of je als tandarts zomaar zou kunnen overstappen.
Kunstenaarschap vond ze interessant.
Maar het was niet verstandig.
Ze wist niet hoe lang ze voor zich uit had zitten staren met haar vakgereedschap bewegingloos in haar handen. Had ze goed gekozen? Een luxe badkamer, heb je dat echt nodig? Absinthefonteinen zijn er al lang niet meer.
Ze keek om zich heen in wat een steriele ruimte had kunnen zijn met stalen gereedschappen in het gelid gerangschikt op hun vaste plek, beschenen door egaal wit tl-licht. Een ruimte waarin ze zelf strakke plastic handschoenen zou moeten dragen voor hygiëne.
Ze rilde bij de gedachte.
Dit was haar woonkamer, met verfvlekken op de vloer, verrijdbare tafeltjes met smoezelige potten, bakjes en bekers erop. Overal kwasten. Alle muren bedekt met schilderijen. Op de grond nog meer schilderijen schuin rechtop tegen de wand, tegen kasten gezet. Ze was eens langs de kringloper gegaan met een stapel, maar die hadden ‘al genoeg schilderijen’. Ze spoelde haar kwast in een potje water en legde hem op de rand van de ezel.
Het was misschien een troep, maar het was háár troep. Vanuit de chaos schiep god de aarde, toch? Dit schilderij zou niet betalen voor de verplichte bijdrage aan de warmtepomp, maar het was magisch geworden. Ze zou vanavond haar glas heffen op dit doek! Ze zou in slaap vallen op de versleten bank tegenover dit doek. Ze zou er misschien van dromen. En morgen zou ze beginnen aan een nieuw. Ze kon zich niets anders voorstellen.