De trompettist

Hij wilde op zich bij het gezamenlijk avondeten blijven met zijn aandacht, hij had hier tenslotte voor gekozen, ooit. Hij slikte zijn laatste hap door en legde zijn vork neer. De werkelijkheid was dat zijn gezin hem niet meer nodig had.
Op zijn smartphone zag hij dat nieuwe hotel in Qatar. Het gebruikte de geavanceerde kunststof ruiten waar hij vanmiddag over gelezen had. Niet alleen automatisch dimmend maar ook vederlicht en buigzaam. Het hotel leek een glimmende stalactiet die uit de hemel was gevallen en zich bruusk in de woestijn geboord had.
Roderick tuurde naar hem vanaf de overkant van de eettafel.
Zijn werk had hem ook niet meer nodig trouwens. Bouwkunde, statische mechanica, vier jaar universiteit. Zijn rekenprogramma kwam steevast met betere en vaak originelere oplossingen dan hij zelf. Uiteindelijk had hij besloten deze voortaan klakkeloos over te nemen. Zo bespaarde hij iedereen een hoop kopzorgen. Aan de torens die ze overal neerzetten kon je toch niet zien wie – of wat – de berekeningen had gemaakt.
Zijn vrouw draaide in haar stoel.
Vroeg Roderick net iets?
Alleen muziek. Daar herkende je een echt mens nog aan. Ook al beweerden stemmen dat dat ook niet lang meer zou duren. Hij geloofde dat niet. Muziek vereiste creativiteit en durf. En gevoel. Zoals Miles Davis in ‘L’ascenseur pour l’échafaud’. Het was geen spelletje waar de computer de mensheid gemakkelijk aan de kant kon schuiven.
Zijn zoon legde zijn bestek extra hard op zijn bord. Zijn vrouw hield haar gezicht op hem gericht.
‘Frans?’
Was het een belangrijke vraag dan van Roderick? Hij had niets gehoord.
Op het parkeerterrein in Qatar stonden Rolls Royces (zou dat merk ooit failliet gaan?) met kerels eromheen met zwarte baarden en witte jurken. Slanke, mooie kerels. Geen bolle buik zoals hij door jarenlang ongezond eten.
‘Frans?’ herhaalde zijn vrouw.
Vroeg Roderick of hij de auto mocht lenen? Of zijn vriendinnetje mocht komen eten?
Nu was hij bij het artikel over nano-materialen dat hij zocht. Als hij morgen niet hierover kon meepraten zouden ze hem weer te kakken zetten in de vergadering. Terwijl hij het artikel opende, voelde hij de blik van zijn vrouw door zijn schedel boren.
Roderick schoof zijn bord hard naar voren zodat het bestek eraf kletterde.
Verstoord keek hij op van zijn smartphone, zijn zoon keek terug, stapelde de borden hardhandig op elkaar en beende ermee naar de keuken. Zo theatraal altijd. Zou hij zojuist uit de kast zijn gekomen? Nee, toch niet tijdens het eten?
De smartphone moest maar even plat op tafel. Met het beeld op zwart.
Zijn vrouw had wallen onder haar ogen. Haar lippen waren nog dunner dan gewoonlijk. Haar haar zat een beetje in de war. Ze slaakte een zucht die stokte.
Ze zei: ‘… wat je toe wilt.’
Zijn smartphone trilde. Het berichtje was kort.
‘Indringer op bouwplaats 7461. Speelt trompet. Autoriteiten gewaarschuwd.’
7461 was praktisch om de hoek.
‘Niets,’ zei hij en ging van tafel.

Bij de toegang was het aardedonker, de lichtmast met camera’s was omgevallen, het hek stond wijd open. Hij opende de ramen van zijn auto terwijl hij langzaam het terrein op reed. De klanken van het beloofde instrument bliezen de omgeving schoon. Een ongewone stilte daalde neer toen hij de auto uitzette bij de keet. Een stilte die nog stiller en ongewoner werd door de melodie die eroverheen danste. Korte gebonden loopjes in mineur. Een ijle toon die langzaam uitstierf en plotseling naar beneden afboog. En opnieuw begon het, nu sneller en met grotere intervallen.
Daar kwamen de valse noten van de autoriteiten. Een busje passeerde hem met luide sirene en blauwe zwaailichten. Drones met schijnwerpers omcirkelden de woontoren in aanbouw terwijl vier androïden behendig omhoog klommen. Hij zag de muzikant een reuzesprong wagen naar een ander deel van het gebouw, beschenen door de drones. Hij zag hem zijn trompet met een boog naar beneden gooien en zich een paar verdiepingen laten zakken. De Androïden waren blijven hangen aan de kale betonplaten er tegenover. Met een laatste sprong belandde de muzikant op de grond en zette het op een lopen. De trompet in het stof achterlatend.
Hij zette de wagen in achteruit en verliet stil de plaats delict. Tijd voor zijn saaie bed.

De volgende ochtend werd het natuurlijk breed uitgemeten in de media. De trompettist was weer gesignaleerd op een bouwplaats. Met videomateriaal van de drones. Zijn baas belde hem erover, of hij nog meer details had, aangezien het één van zijn projecten was.
‘Hij speelde erg mooi.’
Zijn baas zei dat ze dat niet bedoelde en hing op.
In de grote keet, na de vergadering, waarbij nano-materialen geen enkele keer ter sprake kwamen, greep zijn baas zijn arm. Onder de krullenbos de helblauwe ogen op hem gericht, paars gestifte lippen. Ze hield hem vast totdat de anderen waren vertrokken.
‘Gaat het wel goed met je, Frank?’
‘Frans.’
Ze haalde haar schouders op.
‘Ja het gaat goed, hoezo?’
Door het stoffige raam zag hij zijn collega’s vertrekken in hun auto’s. Meer stof was het resultaat. Zijn eigen vaalblauwe model bleef achter naast de glanzende bolide van zijn baas. Zij liet dat ding zeker elke ochtend wassen.
Ze had gemerkt dat hij weleens was blijven slapen op een bouwplaats. En dat hij niet altijd de meest directe weg nam van de ene klus naar de andere. Alsof zijn privéleven haar een snars aanging.
‘Vind je dat ik mijn werk niet goed doe?’
Hij keek naar de glazen vaas met een kring van bloemblaadjes er omheen op tafel. Troebel water met schimmelige bloemstelen.
‘Ik wil zorgen dat je het goed kan blijven doen.’
Die felle ogen, die perfecte krullen. Elegante oorbellen met gladde groene stenen. Het troebele raam. Buiten was het stof gaan liggen. Zomaar herinnerde hij zich vorige week dinsdagavond. De eerste violist van het concertgebouworkest die een hartverscheurende solo speelde.
‘Soms moet ik even weg van huis.’
Er glinsterde iets. Een vrachtwagen die de zon weerkaatste.
‘Ik moet nog naar 2385,’ vervolgde hij.
Ze legde haar hand op zijn schouder.
‘Als er iets is, mijn deur staat altijd open.’
Ze duwde hem zachtjes voor zich uit, samen stapten ze naar buiten.
Stof drong zijn neus binnen. De lucht van gesmolten staal en verbrand hout. ‘Het werk.’ Ieder stapte in hun eigen voertuig.
De vrachtwagen was verderop aan het lossen. De bolide van zijn baas spoot geluidloos weg. Een laagje zand daalde neer op zijn voorruit.
Voor de derde keer drukte hij op de startknop. Behalve een flikkering van de controlelampjes gebeurde er niets. Nog een keer. Nog een keer. Hij wisselde van vinger om harder en sneller op de knop te kunnen drukken. In de beweging activeerde hij de ruitenwissers die het zand wegschoven. Hij keek uit op de keet. De geribbelde plastic wanden, het troebele raam. Die rottende bloemen daarbinnen. Hij sloeg op de rand van zijn stuur. Dat veerde mee. Nog een keer met beide vuisten. De ‘deur’ staat helemaal niet ‘open’.
Hij trok zich met links op aan het stuur en sloeg met zijn rechter vuist zo hard mogelijk op het midden scherm. Dat gaf niet mee. Hij liet zich voorover zakken en zijn hoofd op het stuur rusten. Zijn vingers zouden wel gekneusd zijn.
De vrachtwagen reed achter hem langs het terrein af. Meer stof over zijn auto.
Hij haalde diep adem om nog één keer op de startknop te drukken.
Zijn voertuig werd wakker, de metertjes draaiden hun rondjes op de schermen.
Riem om. Achteromkijken, keren, door de kuilen, over platen rammelend, de openbare weg op. Met maximale acceleratie de slome vrachtwagen voorbij. Hij nam zich voor vandaag eerder naar huis te gaan. Wat er allemaal met zijn werk mis was kon hij toch niet in één dag goed maken. Misschien kon hij thuis meer goed doen, door uitgebreid te koken. Gehaktbrood van vers kweekvlees. Hij stuurde strak om een voorligger heen en trapte het gaspedaal verder in.

De fietser zag hij niet aankomen. Zijn voertuig reageerde razendsnel met een uitwijkmanoeuvre. Het stuur gleed door zijn handen. Hij trapte op het rempedaal want daar lag een grote plas. Het pedaal zat vast. Een teken dat zijn auto de besturing had overgenomen. De auto moest scherp corrigeren om op de weg te blijven. Ze raakten de plas en verloren de grip. Zijwaarts gleden ze over de weg. Hij zag de fietser hen nakijken. Spiegelende zonnebril, strak bovenlijf. Knijpend in de remmen. Glimmende zwarte helm met rode strepen.
Plotseling een knal en overal witte kussens die hem in zijn stoel drukten. De riem snoerde hem nog vaster. Na een klap begonnen ze te rollen. Het was donker in deze centrifuge. Bonkend kwamen ze tot stilstand. Hij lag dubbelgevouwen op het plafond. De airbags hingen als witte vlaggen uit de verschillende plastic panelen van het interieur. Er zat een lange barst in de voorruit. Het gras was boven en de lucht beneden. Daar zag hij de fietser zijn fiets loslaten, zodat die omhoog viel, en ondersteboven naar hem toe rennen.
Hij draaide zich uit zijn onhandige positie en duwde het portier dat al los was verder open. De slanke man met de zwarte helm met rode strepen hielp hem zich verder uit de auto te wurmen. Ondersteboven was duidelijk niet de voorgeschreven manier om uit te stappen. Nu stond alles weer rechtop, behalve de auto. Er landde een zuil van de overheid waaraan ze de gebeurtenis moesten vertellen. Een formaliteit, die hen makkelijk afging. Hij belde zijn baas om het voorval te melden.

Het was een overzichtelijk barretje. Vier hoge tafels van de straat gescheiden door smalle bloembakken. Zo nu en dan stopte er een voertuig waar iemand snel in- of uitstapte. Zijn vervangend vervoer zou nog even op zich laten wachten. Het stipje bewoog tergend langzaam. Auto’s mochten autonoom nog steeds niet sneller dan 30 km/u rijden en waren zo veroordeeld tot allerlei binnenweggetjes om op hun bestemming te komen. Over het gras keek hij uit op de takelwerkzaamheden die rondom zijn vorige voertuig werden uitgevoerd. Op zijn smartphone bestelde hij een espresso en keek verder naar nieuwe berichten.
De stadsklimmer had weer een filmpje geplaatst. Builderen was lang geleden een rage, langs de buitenkant van gebouwen omhoogklimmen en boven met een paraglider eraf springen. Totdat gebouwen werden aangepast met afrasteringen onder stroom en overal camera’s verschenen. De avonturiers hadden moeten opgeven.
Er was kortgeleden een nieuwe opgestaan, die zichzelf met een drone filmde. Deze onbekende persoon met androgyn uiterlijk was zo onwaarschijnlijk snel dat hen nog niet gepakt was. Als een acrobaat slingerde hen zich in één vloeiende beweging naar boven. Een genot om naar te kijken. Als je op de hoge resolutie beelden niet duidelijk zag dat het een mens was zou je het niet geloven. De lenigheid en brute kracht gecombineerd met doodsverachting wees op een androïde. Er was altijd een tweede filmpje vanuit een camera op het hoofd. Van de beelden tijdens het klimmen werd je misselijk. De afdalingen waren altijd een genot, zwevend door de stad.
Na de landing met een noodgang door steegjes rennend op de vlucht voor de autoriteiten, alsof hen niet net een inspanning van wereldformaat had geleverd.
Dit filmpje was met 14 miljoen views in de anderhalf uur dat het online stond meteen al de snelst stijgende clip op internet. Hen had al tientallen clips gemaakt, er moest wel een team achter staan. Soms leek het of de stadsklimmer niet eens tijd had gehad om te slapen voordat het volgende alweer verscheen.
Zijn smartphone onderbrak. Het vervangende voertuig was gearriveerd. Ondanks alles nog ruim op tijd voor gehaktbrood.

Hij had kruiden door het kweekvlees staan kneden in de keuken met op zijn smartphone een documentaire van Chet Baker. Bij het gaan van de deurbel was hij naar hun kleine hal gelopen, smartphone in de hand. Roderick stond al binnen. De autoriteit-androïde sloeg de deur dicht en liep het tuinpad af, in ontelbare stukjes gebroken door het ribbelglas. Roderick liet zijn rugtas zakken. De documentaire bleef trekken. Niemand anders kon zo fantastisch trompet spelen. Maar hij wilde het goed doen, dit hele ‘gezin’. Roderick stond stil voor hem, naast de kapstok. Dan zou hij nu maar beginnen met de eerste vraag. Of het hem echt zo’n goed idee had geleken.
‘Ja echt heel goed.’
Hij stak Chet in zijn zak.
‘Het bekladden van de schooldeur is een goed idee?’
‘Ja echt heel goed.’
Hij duwde zijn nagels in zijn bovenbenen om iets te voelen.
‘Je zou denken dat jullie inmiddels wat originelers hadden, met al die technologie van tegenwoordig.’
‘Verf is echt heel goed.’
‘En “fuck”, is dat een woord dat je moeder je geleerd heeft?’
Hij zette een stap naar voren. Roderick ontweek en stond nu tegen de jassen.
‘Jezus ouwe.’
Hij voelde Rodericks arm tegen zijn dikke buik drukken.
Voorover leunend herhaalde hij: ‘Ouwe?’
Zijn zoon stapte verder opzij.
‘Jij bent echt zielig.’
Plotseling gebrek aan steun deed hem wankelen. Hij greep de schouder van zijn zoon.
‘Wat?’
‘Ja zielig. Andere ouders noemen jou Frifri.’
Hij hervond zijn balans.
‘In de lerarenkamer is een frietzak geplakt over jouw lijf op de foto van de ouderraad.’
Rodericks schouder was pezig. Zoals zijn eigen schouder zou moeten zijn.
‘Wat wil je dat ik ervan zeg Roderick?’
Hij liet zijn zoon los en depte zijn voorhoofd. Dik zijn was te zeldzaam geworden.
‘Dat je het ook een goed idee vindt,’ grijnsde Roderick.
En oncomfortabel bovendien.
Hij bekeek het gezicht van zijn zoon met de scherpe kaak. Beginnende beharing op de bovenlip. Donkere ogen. Frons. Dat vreemde andere lichaam met zijn DNA erin. Dat zelfstandig de wereld in ging. Risico’s nam.
Maar ook zijn levenswerk en spiegel. Hij zou het goed af moeten maken. Goed voorbereiden.
Hij legde zijn hand weer op die schouder.
‘Ga maar naar je kamer.’
Zachtjes knijpend, het lichaam draaiend.
‘Ik roep je wel voor het eten.’
Het sjokte een paar passen door de gang. De trap op met zware voeten. Het licht boven sprong aan. Op de overloop draaide het zich om. De wenkbrauwen geheven. Schouders half opgetrokken.
Frans gaf een kort knikje omhoog, met zijn kin vooruit. Het vel eronder bewoog met een onaangename vertraging.
Het lichaam verdween om de hoek.
Zijn smartphone trilde alweer in zijn zak. Hij greep hem onderweg naar de woonkamer.

Na het eten ruimde zijn zoon de tafel af en verdween naar zijn kamer. Terwijl hij het nieuws nog even doornam op zijn smartphone hoorde hij zijn vrouw zuchten. Ze zat twee stoelen verderop. Uit zijn ooghoek zag hij haar het glas aan de mond zetten en de wijn achteroverslaan. Op zijn apparaat reclame voor een sportschool. Een nieuw soort training voor mensen met overgewicht. Nu met afslankgarantie.
‘Frans?’
De make up was een beetje vervaagd rond de ogen. De wallen nog prominent aanwezig. Vroeger had ze volle lippen gehad. Of was dat een wensdroom?
Ze ging door: ‘Wat was dat nou vandaag?’
Haar toon was te hoog. Haar wangen te rood. Ze schonk haar glas opnieuw vol en raakte het daarbij hard met de fles. Ze keken samen naar de wijn die bijna over de rand klotste.
‘Wat bedoel je?’
Hij legde zijn smartphone op tafel.
‘Dat ik van je bazin moest horen dat je van de weg geraakt bent.’
‘O dat.’
‘O dat ja,’ zei ze snel, ‘dat.’
Ze keek langs hem heen. Vroeger was ze mooi geweest. Eigenlijk was ze nog steeds mooi, gewoon wat ouder.
‘De auto ontweek een fietser, maar er lag een plas.’
‘Ik hoef niet meer te weten wat er gebeurde, Frans. Ik wil weten waarom je me niets vertelt.’
Hij dacht aan één van hun eerste vakanties. Aan het Gardameer. Hoe het Italiaanse licht haar perfecte gelaat had beschilderd.
‘Ik dacht er niet aan.’
‘En wat is dat met Roderick, die door een autoriteit thuisgebracht wordt wegens vandalisme? Dacht je daar soms ook niet aan?’
Het Gardameer was ver weg. Hier was de eettafel, waar hij zijn ellenbogen op zette om zijn hoofd in zijn handen te laten zakken. Hij hoorde zijn vrouw wijn doorslikken. Haar ademhaling ging snel. Ze was de laatste tijd veel te gespannen. Waarschijnlijk allerlei shit op haar werk. En natuurlijk Roderick.
‘Nee eigenlijk niet,’ zei hij naar waarheid.
‘Jezus Frans, wanneer kom je weer eens op aarde kijken, hoe het met ons stervelingen gaat?’
Onder haar beide ogen was de make up naar beneden gelopen. Hij zou haar willen vastgrijpen en tegen zich aan drukken. Maar hij wist niet meer hoe dat moest. Er stond tegenwoordig altijd een glas wijn tussen hen in. Of zijn buik. Of een luid gesprek. Of Roderick.
‘Ik zal mijn leven beteren,’ antwoordde hij dan maar.
Zijn vrouw leegde haar glas met een laatste, lange, teug en liep naar de keuken.
Hij keek even op zijn smartphone: geen nieuwe berichten.
Toen ze terugkwam had ze een glas water in haar hand. Ze stond bij de deur naar de gang.
‘Frans, je moet je echt vermannen. Vannacht slaap je maar weer op de bank.’
Toen ze de deur had dichtgegooid stond hij op en zette de laatste spullen in de vaatwasmachine. Hij plaatste het blokje, zette de vertraging op 3 uur en sloot de klep. De fles wijn was leeg. De woonkamer ook.
Hij greep zijn smartphone en jas en reed met zijn nieuwe auto naar 9130. Een plaats waar ze hoogbouw realiseerden voor een private investeerder en waar een verwarmde keet stond met een driezitsbank.

Hij schrok wakker. Hij hoorde een motorfiets passeren op enige afstand. Kil licht van de ledlampen scheen door de smerige ramen. Verderop onderscheidde hij de tafel met klapstoelen. Een paneel klapperde ergens. De wind floot een deuntje rond het metalen skelet. Normale geluiden op een bouwplaats.
Waren dat voetstappen buiten, op de metalen platen? Een duidelijke plons alsof er iets in een plas viel, of stapte. Hij richtte zich op. Bukte om zijn werkschoenen te pakken die onder de bank stonden. Hij hoorde niets dan de wind.
Met zijn schoenen half aan kloste hij naar de deur van de keet. Hij hing naar buiten zich vasthoudend aan de deurpost en de deurknop. De bouwplaats was onregelmatig verlicht. Voorbij zijn geparkeerde auto zag hij iets bewegen.
‘Hé,’ riep hij instinctief.
De schim stokte en hield iets omhoog. Het glom.
‘Dit is privéterrein,’ vervolgde hij.
Het glimmende voorwerp bewoog. Voordat hij het kon herkennen, bliezen trage klanken van de trompet de omgeving tot leven. Na een lange uithaal trok de melodie zich terug achter het geraas van de wind, om lager en sneller weer tevoorschijn te komen. Al blazend liep de schim op hem af.
‘Je mag hier niet komen,’ riep hij tegen de wind en de muziek in, ‘helaas’ dacht hij erachteraan.
De schim liet zijn instrument zakken. Hij had wel wat weg van die androgyne klauteraar.
‘Hoezo niet?’
‘Privéterrein, er staat een bord bij het hek. En het hek zit trouwens ook dicht.’
De trompettist grijnsde scheef, ‘Nu niet meer,’ zei hij en bracht het glanzende instrument weer naar zijn mond.
Ze waren elkaar tot anderhalf meter genaderd.
De trompet zo vlak voor hem blies de spinnenwebben uit zijn hoofd. Plotseling was hij in het hier en nu. De improvisatie speelde met de geluiden van de bouwplaats. Cirkelde om het gerammel, prikte hier en daar een gaatje in de gierende wind. Hoe betoverend ook, als het te lang duurde zouden de autoriteiten komen. Hij stapte achteruit om de trompettist binnen te laten.
Het lichaam had een smalle taille en een brede schouderpartij, er moesten flinke longen in dat bovenlijf zitten. Het gezicht leek inderdaad op die gebouwenbeklimmer, net zo genderfluïde.
‘Frans,’ hij stak zijn hand uit.
‘Nuru,’ de muzikant greep de uitnodiging aan.
Na het handenschudden vleide Nuru zich neer op de bank.
Zelf pakte hij een klapstoeltje, ‘Waarom doe je dit?’
Nuru keek om zich heen alsof hij nog nooit een keet van binnen had gezien.
‘Waarom zoek je zulke plekken om te spelen?’
Hij keek recht in een paar twinkelende ogen.
‘Het is reclame,’ antwoordde Nuru.
‘Je wilt bekend worden…’
‘Nee,’ zei Nuru, ‘reclame voor &*.’
&* was een nieuwe wereldwijde technologische corporate. Ze maakten de eerste huisrobots. Geen groot succes want onbeleefd en dom. Hij kon even de link niet leggen.
‘Wij zijn de nieuwe generatie, wij trekken nu aandacht in de media. Met allerlei leuke stunts.’

Commentaren:

Schrijf zelf:

De trompettist: Chet Baker

Koop mijn boek!

Mijn Science Fiction novelle ‘Tijd met mijn buurman’ is te koop als e-book en als paperback. Te bestellen bij de lokale boekhandel en bol.com.
Meer weten.

Gearchiveerd onder: